Wednesday, 8 May 2013

Pindakaas maken




Mama, roept Tijm, al weken, mama, mogen we pindakaas maken? Al weken roep ik terug, dat we eerst pinda's moeten kopen. Heel veel pinda's. Zonder pinda's maak je geen pindakaas. Maar ik vergeet het steeds. Dan gaat op een zaterdag Tijm samen met papa de boodschappen doen. En hij vergeet het niet. We kunnen aan de slag. 



Pindakaas maken is heel makkelijk. Wat heb je nodig? Pinda's! De kwalitiet en smaak van je pindakaas hangt af van de smaak en kwaliteit van de pinda's die je gebruikt. Het lekkerste is zelf pellen en roosteren. Hoe meer je ze roostert hoe sterker de smaak wordt. Tijm kocht pinda's die al geroosterd waren. Wel zo makkelijk. 






Behalve pinda's moet je om de pindakaas wat smeuïger te maken een paar eetlepels olie toevoegen. Het maakt niet veel uit welke, zonnebloem of een andere die niet te sterk van smaak is is het beste. Als je niet wilt dat je zelfgemaakte, en dus geheel natuurlijke, pindakaas strakjes gaat scheiden, waardoor er een olielaagje op komt en je hem voor gebruik steeds moet roeren, kun je een eetlepel hard vet toevoegen. Dat zorgt ervoor dat het vet hard genoeg is om in de pasta te blijven zitten. Wij voegden daarom een eetlepel palmvet toe. Als je ongezouten pinda's gebruikt, voeg dan wat zout naar smaak toe.



Blenden maar! 

Krunsh, oenk, krak. En toen was het stil. De blender was vastgelopen. We maakten de klus af in de hakmolen, in twee porties. Advies? Gebruik niet de blender, daarvoor is pindakaas te hard, een hakmolen is meer geschikt.



Schep de pindakaas in een pot, maak een mooi label en voilà:



Smullen maar!



De zelfgemaakte pindakaas is bijna op. 
Mama, roept Tijm. Mogen we Marmite maken?

Sunday, 21 April 2013

De hulp

Het leven in Singapore komt met gemakken. In de vorm van goedkope, de hele dag beschikbare, huishoudelijke hulp. De welgestelde, of zelfs maar gemiddeld gestelde, Singaporese huisvrouw hoeft zich niet bezig te houden met beslommeringen als de was, vloeren dweilen of de boodschappen. Zo is er meer tijd voor belangrijker zaken. Koffie drinken bijvoorbeeld, met vriendinnen. 

Terwijl de kinderen het houten winkeltje in de hoek van de woonkamer leegkopen, de poppenwagen rondrijden, of torens van duplo kraaiend omgooien, schenk ik hun moeders nog eens bij met ijsthee. Een vriendin veegt haar voorhoofd af. Warm vandaag. Ik presenteer mijn zelfgemaakte Hollandse ontbijtkoek, die geproefd en goedgekeurd wordt door de Engelse, Australische en Indiase aanwezigen. We praten over bakken. Koken. En al gauw, over de hulp.

De Australische vriendin is al aan haar derde. Of ze kunnen niet schoonmaken, of ze hebben geen overwicht op de kinderen, moppert ze. Ze heeft ook altijd pech. De andere, Indiase, verteld over haar nieuwe hulp, die zes jaar bij een Indiaas gezin werkte, en alles aan benodigde kooktechnieken kende, zei ze. Tot mijn vriendin haar vroeg chapati’s te rollen, met een deegroller. Hoofdschuddend had de Filipijnse haar aangekeken. Had ze dan geen elektrische chapatimaker? Van de vegetarische keuken die mijn vriendin voorstond begreep het meisje weinig, en ze overwoog haar een cursus te laten volgen. Kookcursussen voor de hulp worden overal aangeboden in Singapore. Westers eten, Chinees, Indiaas, Japans of Koreaans, wat de werkgever ook het liefste eet.

Ik weet niet of er een cursus bestaat die die van mij iets kan brengen, verzucht de Engelse, ze kan nog geen ei koken. We knikken al, maar ze roept, nee, echt, letterlijk. Ze had de eieren een uur laten koken, tot het water weg en de pan zwart was. Mijn vriendin zucht nog eens, ze is zo leuk met de kinderen.

Klagen over de hulp. Het beschrevene is onschuldig vergeleken met meer dat ik aanhoorde. In deze ongemakkelijke, maar toch heel menselijke, gesprekken worden de oude koloniale pijnpunten van deze hypermoderne stad wrang blootgelegd. De meisjes, die uit heel arme en afgelegen dorpen uit de Filipijnen of Indonesië komen, hebben vaak weinig gemeen met hun Chinese, Indiase of Westerse werkgevers.

Ik klaag, liever, niet mee. Maar ik ben ook maar een mens. Mijn grootste klacht? Indah kan te goed koken. En ze doet het zo graag. Ik had me voorgenomen het zelf te blijven doen, maar vaak ben ik in de tropische hitte lui of moe. De middagen zijn vol met zwemles, ballet en voetbal, en kooktijd voor de volwassenen valt steevast samen met de kinderbedtijd, die ik liever niet uit handen geef. Dus laat ik Indah, als die met glimmende pretogen vraagt wat ze vanavond klaar mag maken, veel te vaak de eer. Elk recept dat ik haar geef maakt ze feilloos na, beter dan ikzelf, die me aan geen recept houden kan. Zelfs van mijn, ‘doe maar wat leuks met aubergine en gember’ instructies weet ze wat te maken. Het liefst koken we samen, haar Aziatische ervaring en uitmuntende snijkunsten koppelend aan mijn Westerse en technische kennis. We zijn een goed team, mijn Indonesische hulp en ik. 



Indah’s vis in ketjap 


Zachte, witte vis (wij gebruikten Pangasius)
1 flinke ui
5 cm gember
2 tenen knoflook
1 of meer rode chilipepers, naar smaak
een paar eetlepels Indonesische sojasaus (ketjap manis)

De hoeveelheden zijn niet heel precies, en hier voor twee visfilets ingeschat. Gebruik bij twijfel liever meer kruiden dan minder. 


Snijd de ui in fijne, dunne ringen, de gember in lange, dunne reepjes en de knoflook fijn. Snijd ook de chilipeper in schuine reepjes. De grote, mildere geven kleur in dit gerecht, maar houd je van scherp voeg dan ook wat van pittige kleine Thaise pepertjes toe. Verhit wat olie in een wok en bak de kruiden in een wok op koekenpan een paar minuten aan, zodat ze zacht worden maar niet verbranden.

Snijd de vis in flinke stukken en voeg ze toe aan de kruiden, en bak ze mee. Voeg dan de ketjap toe, zeker 3 of 4 eetlepels. Bak de vis tot hij gaar is, en voeg een klein scheutje water toe om te zorgen dat het gerecht niet te droog wordt.

Serveer met rijst en groente.

Thursday, 21 March 2013

Meel? Maar welk meel…

Singapore is, net als heel Azië, een paradijs voor de glutenintolerante. Rijst is het belangrijkste voedingsmiddel, dat zowel met het ontbijt, lunch als avondeten wordt gegeten. Geen stress meer met ontbijt of lunch, zoals in Nederland, waar de keuze meestal brood, brood of brood is.

Gekookte rijst, rijstnoedels, rijstepap, rijstemeel. Maar daarmee houd het niet op. Tarwemeel is hier een van vele soorten, en niet het meest gebruikte meel. Er is, behalve rijstemeel, tapiocameel, maïsmeel, sojameel, kikkererwtenmeel, sorghum-meel en nog veel meer. Gebakken lekkernijen, zoals gefrituurde vis, soft shell crab en krokante groenten worden meestal in maïzena, fijn maiszetmeel, gecoat. Meestal, erop vertrouwen kun je niet. Dus gaat het wel eens mis.

Want al spreekt de gemiddelde Singaporees uitstekend Engels de, vaak bejaarde, uitbaters van hawker stalletjes en de immigranten die in de horeca werken doen dat maar matig. En al spreken ze het, op mijn vraag welke soort meel in de begeerde lekkernij gebruikt werd krijg ik beduusde blikken terug. Ik ruik, kijk en oordeel dan zelf maar. Vaak google ik thuisgekomen het gerecht, en heb ik de volgende keer hopelijk onthouden dat de medhu vadai en de madal vadai gemaakt worden van linzenmeel. Dat de kueh dadar van rijstemeel maar de kueh ape van tarwe zou moeten zijn. En ik weet natuurlijk al lang dat het beslag voor mijn absolute favoriet, de thosai, van urud dhal (een peulvrucht) en rijst wordt gemaakt.

Maar er is zo veel dat ik nog niet weet. Zo liet ik de pisang goreng, gebakken banaan, altijd liggen. Die ken ik van vroeger in Maleisië, maar ook uit Nederland, waar hij met tarwemeel wordt gemaakt. Verbaasd had ik dus laatst een pakje beslagmix voor pisang goreng in mijn handen, en zag dat het simpelweg rijstemeel was. 


Een rondje over internet leerde mij dat de klassieke versie van pisang goreng in Maleisië en Indonesië met rijstemeel wordt gemaakt. Modernere, internationaler recepten gebruiken wel tarwemeel, maar liefst gemengd met een flink deel rijstemeel. Gemaakt van enkel tarwemeel lijkt een pisang goreng meer op de slappe Hollandse beignet, terwijl hij knapperig zou moeten zijn. En maakt rijstemeel hem.

Op straat durf ik nog niet altijd, maar thuis frituren we ons blij. Nadat de kant en klare mix op was gewoon naar eigen recept. 


Voor pisang goreng gebruik je het liefst kleine bakbananen, die minder zoet zijn en steviger. Toko’s verkopen ze soms, maar als je ze niet kunt krijgen kun je ook de grote bakbanaan, die nog steviger en minder zoet is, of gewone, niet al te rijpe bananen nemen.


Krokante Pisang Goreng 
(tarwe en glutenvrij, maar lekker genoeg voor iedereen!)

Rijstemeel
Water
Snufje zout
Theelepel bakpoeder
Olie om te frituren 


Ik weeg beslag ingrediënten nooit af, maar je mengt het meel met het water tot je een beslag hebt dat net wat dikker is dan dat voor Hollandse pannenkoeken. Hoe dikker het beslag hoe dikker de laag om je banaan zal worden dus het is ook een kwestie van smaak. Roer het zout en bakpoeder door het beslag en laat het even staan. 

Pel de bananen en snijd ze in de lengte door. Verhit in een wok ongeveer 3 of 4 centimeter olie, en laat die goed heet worden. Doop de bananen in het beslag zodat er een dikke laag om zit en laat ze voorzichtig in het vet vallen. 


Bak er niet meer tegelijk dan er in een laag kunnen drijven. Draai ze af en toe om zodat ze aan beide kanten lichtbruin worden, wat een paar minuten duurt, en laat ze dan uitdruipen en afkoelen op wat keukenpapier. 


Je kunt de bananen natuurlijk ook in een frituurpan frituren.


Met hetzelfde beslag kun je ook andere soorten groenten en fruit frituren, bijvoorbeeld zoete aardappelschijfjes. 

Sunday, 10 March 2013

Bel de brandweer

Op een keer klaagden we, in het restaurant van ons Thaise paradijs, tegen elkaar, dat de keuken te westers was en het eten niet scherp genoeg. Het was alsof ze het gehoord had, Jun, in de keuken, want de volgende Tom Yam soep de we geserveerd kregen deed onze oren tuiten en ogen tranen. 


Ik groei ze zelf, op mijn balkon, die hele kleine Thaise pepertjes, hoe kleiner hoe heter, waarvan de zaadjes zo klein zijn dat je ze niet eens ziet. Proeven doe je ze ook niet, want als je ze eenmaal binnen hebt proef je het half uur erop niets meer dan brand en vlammen. Je wilt alleen nog maar blussen, met liters water, wat niet helpt en je eet maar door, stug, want je laten kennen kan ook niet.

Ik houd van scherp. Goed scherp ook. Het is me niet vaak overkomen, zelfs in Thailand, dat het me te ver ging. Maar die ene peper, in die ene soep, die kan me nu nog rood doen aanlopen. Het was de wraak van de keuken op onze smalende klacht.

Want er was veel goed eten, daar op het gouden boeddha strand. De Panang curry met garnalen die Roel’s favoriet was beschreef ik al. Mijn eigen favoriet was de fruitsalade. Ik weet al genoeg van de Aziatische keuken, dat ik weet dat fruitsalades geen dessert zijn. Ik beschreef eerder al de groene mango salade, die overal nu wel bekend is. Maar deze fruitsalade ging een stap verder. Fris. Zoet. Zuur. Zout. Knisperig. En om je mond te blussen zinloos, want ook deze was loeischerp. 



In de salade van het gouden boeddha strand zat, wat ze in Singapore in het Maleis jambu, jambu ayer en jambu batu noemen. En wortel. Jambu kent u wel, dat betekent simpelweg appel, maar de andere vruchten zullen moeilijker te krijgen zijn buiten de tropen. De jambu ayer is de waterappel, een roze, knapperige vrucht, die smaakt naar, ja, zoet water. Batu betekent steen, en de jambu batu beteket dus steenappel, zo genoemd vanwege de kleine harde pitjes waar je je tanden op knarst. De jambu batu is een grote, groene guave. Ik had wat moeite hem te herkennen als guave, omdat hij groter is en zachter van smaak dan die uit het midden oosten. Lang kauwde ik en dacht, ik ken dit, wat is het toch? Pas toen google eraan te pas was gekomen herkende ik dat het om een guavesoort ging.

Voor deze salade kun je natuurlijk ook andere soorten fruit gebruiken, afhankelijk wat er te krijgen is. Probeer wel zoveel mogelijk fris, zuur en knapperig fruit te gebruiken.

 



Thaise fruitsalade 


Voor de salade 


een flinke kom gemengd fruit, in blokjes
(waterappel, appel, ananas, watermeloen, guave, druiven, pomelo, grapefruit, (chinese) peer)
klein handje cherry tomaatjes, gehalveerd
1 wortel, in heel dunne reepjes

Voor de dressing


1 eetlepel gedroogde garnalen 
1 teen knoflook
1-3 chili’s naar smaak
2 eetlepels vissaus
2 eetlepels limoensap
2 theelepels (palm)suiker
3 eetlepels geroosterde pinda’s

Doe de gedroogde garnalen, knoflook, chili in een vijzel en stamp ze goed fijn. Voeg de vissaus, het limoensap en de suiker toe en proef de saus, om te controleren of de zoet/zuur/zout/scherp balans goed is. Je wilt al deze smaken evenveel proeven, er moet er geen overheersen. Voeg wat meer vissaus toe voor meer zout, wat meer limoensap voor zuur, en suiker voor zoet.
Voeg ook de pinda’s toe en stamp die even grof mee.

Meng de ingrediënten voor de salade in een kom en begiet met de saus. Garneer eventueel met wat groene salade.

Sunday, 3 March 2013

De keuken van Siam



Een weekje op vakantie in het paradijs. We slijten onze dagen aan een ondiepe azuurblauwe baai, omzoomd met palmen en naaldbomen, bevolkt door ons, apen, en weinig meer. Van al dat graven, schelpen zoeken, zwemmen, vliegeren, forten bouwen en spelen krijg je honger, maar de weg terug over ons uitgestrekte resort is lang, over een zandpad waar de buggy zwaar loopt. Aan de overkant van de baai lonkt een houten barretje. Aan onze kant van de baai wijst een pijl erheen, Thai food, ontcijferen we op het bordje. Maar net voor de lunch is het vloed, de baai is volgelopen. De honger knaagt stevig, en met de tas op het hoofd, een peuter aan een arm, de andere peuter en een kleuter aan de armen van papa waden we borstdiep naar de overkant. 


Het knappe meisje achter de houten bar spreekt weinig Engels, en van het menu lijkt niet veel op voorraad. We halen onze schouders op, breng maar wat, we vertrouwen het wel, en zakken neer in de schaduw van het drijfhouten paviljoen. Terwijl de kinderen taarten met schelpen bakken in het zand duikt het meisje een houten keukenhut in om er een tijdje later de heerlijkste gerechten uit te toveren. Voor ons, twee kommen tom yam gung, scherpe, friszure soep met garnalen. Voor de kinderen zoete kip met gember en cashewnoten. Curry, wat rijst. 


Ik weet wel, dat de prachtige baai, de warme zon, de zeebries, de jungle achter ons en de glimlach van het meisje alles lekker hadden doen smaken, maar, toch, ik durf te beweren dat ik zelden iets lekkerders at. Dus staken we steeds weer over, om ons steeds weer te laten verassen, met verse krab, glasnoodles, krokant gefrituurde kroepoek.

Van alle Aziatische keukens is de Thaise misschien wel mijn favoriet. Alles is zo geurig, zo kruidig. Altijd gebalanceerd; zuur, zoet, zout en scherp. Ook het restaurant van ons kleine resort was goed. Misschien ietsje westerser dan het barretje aan het strand, maar we aten er geweldige dingen. Sinds we terug zijn in Singapore kook ik dus Thais. Ik probeer alles wat op vakantie zo heerlijk was thuis na te maken. En hoewel soms, weg van de prachtige locatie, vakantiegerechten kunnen tegenvallen, smaken aan onze drukke weg, naast de bouwput die onze buur is, de Thaise gerechten – bijna - net zo goed als op het gouden boeddha eiland.

Deel een uit de serie Thailand? Curry! Het curry menu in het restaurant was simpel, je kon kiezen uit groene curry, rode curry, musaman curry of panang curry. En vervolgens koos je weer of je je curry met garnalen, inktvis, kip of tofu klaargemaakt wilde hebben.

Roel koos steeds weer voor panang curry met garnalen. En ik snap waarom. Panang is een zoete en kruidige curry. Hij is genoemd naar het Maleise eiland Penang, net over de grens, toevallig genoeg de bestemming van onze vorige vakantie. Vergeleken met ‘gewone’ rode curry is de panang curry wat dikker, door de pinda die aan de pasta worden toegevoegd. Hij is ook vaak minder pittig, en dus geschikter voor kinderen. Hij wordt vaak gemaakt met rundvlees, maar ook met kip, garnalen of tofu.

Je kunt voor deze pasta de kleine, scherpe thaise chili’s gebruiken, of de grote die wat minder scherp zijn. Zelf gebruik ik liefst een combinatie, de grote maken je curry mooi rood, de kleine geven hem pit. De hoeveelheid die je gebruik bepaald hoe pittig je curry wordt. 



Panang curry pasta
1 tot 3 rode chilipepers naar smaak
2 stelen citroengras, buitenste bladeren verwijderd
3 eetlepels geroosterde pinda’s
2 cm verse galangal (lengkwas, laos), geschild
6 blaadjes kaffir lime (djeroek peroet)
1 ui
2 tenen knoflook
1 ½ theelepel komijn
1 theelepel korianderzaad
1 theelepel kardemom
als je het hebt, wat korianderwortel

Panang curry
panang currypasta
500 g ‘eiwit’ dus bijvoorbeeld kip, rundvlees, garnalen of (voorgebakken) tofu
400 ml kokosmelk
3 eetlepels tomatenpuree
klein scheutje vissaus (of gewoon zout)

Maak van de bovenste ingrediënten een kruidenpasta door ze in een vijzel of keukenmachine te pureren. Bak in een wok of stevige pan de curry pasta een paar minuten. Voeg dan je eiwit naar keuze en de andere ingrediënten toe en laat alles doorkoken. De kooktijd hangt af van wat voor ingrediënten je gebruikt, garnalen en tofu zijn in een paar minuten gaar, kip of vlees zal iets langer moeten koken. Voeg als de curry droog dreigt te koken wat water toe, maar niet te veel, hij moet dik blijven en niet soepig worden.

Garneer met heel fijn gesneden kaffir lime blaadjes en serveer met rijst.

Monday, 18 February 2013

Tofu

Tofu, ik had er altijd gemengde gevoelens over. Lekker, ja, best wel. Gezond, zeker. Goed voor het milieu, want vegetarisch ook nog eens. Maar ik wist niet altijd wat ik er mee moest doen. Het probleem met tofu is namelijk, dat het als het niet lekker klaargemaakt is, een beetje suf kan zijn. Een beetje smakeloos. Goed klaargemaakt daarentegen… zuigt tofu alle heerlijke smaken op die je eraan toevoegt. 

Nu ik in Azië woon is er een wereld voor me opengegaan. De wereld van de tofu. Tahu, op zijn Maleis. In het Engels soms bean curd, vrij te vertalen als bonenkaas. Van sojabonen, natuurlijk. In de supermarkt valt mijn mond open bij het tofu schap. Schap? Schappen, bedoel ik. En alle te koop aangeboden varianten hebben weinig te maken met het middelmatige spul dat in Nederlandse supermarkten, als je geluk hebt, te vinden is. Deze tofu heeft smaak en kraak van zichzelf. 




Onderaan in onze grootste Singaporese supermarkt liggen rijen met tau kwa, in allerlei soorten en maten, van zacht tot hard, van biologisch tot budget. Tau kwa is een Chinese tofu met een stevige, vlezige textuur, ideaal om te bakken. Daarboven liggen rijen met silken tofu. Silken tofu is zijdezacht. Wil je hem in stukjes snijden, dan verkruimeld hij onder je mes. Deze tofu soort wordt vooral gebruikt in toetjes, sauzen en soepen, waar hij een heerlijk romige smaak aan geeft. 



Van de zachtste silken tofu, tot aan de extra stevige geperste tofu, en alles ertussenin, het is er. En nog veel meer. Gerookte tofu. Gedroogde tofu. Krokant gefrituurde, luchtige tofu puffs. Tofu met kaas. Tofu met vis. Tofu met ei. Tofu met groene tee. 


Mijn favoriet? Het is moeilijk te zeggen. Is het de tofu puff, die in mijn favoriete noedelsoepen als laksa en mee siam gaat? Of kies ik toch voor de stevige tau kwa. Misschien wel, want deze laatste is ongelofelijk veelzijdig. Je kunt hem zo meekoken in soep of curry, maar lekkerder wordt hij als je hem eerst bakt, in de wok in ruim olie. De krokante blokjes kun je dan verwerken hoe je maar wilt. In een curry, soep of saus naar keuze. Of, nog veel simpeler, je overgiet de blokjes met een simpele dressing. Zodat je tofu netjes aangekleed is en niet meer saai, maar je toch nog zijn romig zachte hart kunt proeven.

De vijand van een knapperig blokje tofu is water. En dat is het probleem met de meeste soorten tofu die je in Nederland kunt krijgen: ze zijn te vochtig. Laat de tofu voor je hem bakt dus zo goed mogelijk uitlekken, of beter nog, wikkel hem even in wat keukenpapier of een schone theedoek en laat die het vocht absorberen. Je kunt ook overtollig vocht uit de tofu persen. 




Hiervoor moet je hem wikkelen in keukenpapier en wat theedoeken, en hem dan onder een gewicht leggen, bijvoorbeeld een stapeltje fikse kookboeken. Zo laat je hem een paar uur liggen, tot er zoveel mogelijk vocht uitloopt, dat door de doeken opgezogen wordt. Bij mij is het resultaat meestal wat brokkelig, dus koop ik hem liever alvast geperst, of in ieder geval stevig. Wil je het toch eens proberen, google dan eens naar ‘press your own tofu’ en je vindt betere tips dan de mijne.

Een andere truc die je kunt toepassen om je gebakken tofu krokanter te maken is om hem te bestrooien met een dun laagje meel om het vocht op te slurpen. Dat kan met maïsmeel (maizena), rijstemeel, tarwemeel of wat je maar wilt.

Omdat vandaag de tofu centraal staat een heel erg makkelijk recept. Nog makkelijker is de eigen creatie die onze Indonesische hulp ons graag voorschotelt: dikke, grote gefrituurde stukken van wel 5 centimeter, van buiten krokant, van binnen zacht en romig, overgoten met een saus van gebakken ui, gesnipperd djeroek peroet blad en zoete Thaise chilisaus. Amper een recept te noemen, maar we eten er onze vingers bij op. 


Tofu met frisse sesam-citroen dressing 

1 blok tofu, in stukjes van een paar centimeter 


Verhit een paar centimeter olie in een wok en wacht tot deze goed heet is. Bak dan de tofu in een aantal minuten knapperig en bruin.


Zorg dat je niet teveel tegelijk in de wok doet, past het niet in een enkele laag, bak de tofu dan in een aantal keren. 


voor de dressing 

twee eetlepels citroensap
een theelepel sesamolie
een eetlepes lichte japanse sojasaus
een eetlepel honing

om te garneren 

een eetlepel geroosterde sesamzaadjes
een handje fijngesneden lente-ui 



Meng de ingrediënten voor de dressing door elkaar en proef of de balans zoet-zuur-zout goed is, en pas deze indien nodig aan. Meng hem dan door de hete gebakken tofu en bestrooi met de zaadjes en lente-ui. De kunt deze tofu als snack of voorgerecht eten, of met rijst en een groente als hoofdgerecht.

Monday, 28 January 2013

Cactus en draak voor ontbijt, iemand?

Het ontbijt is de belangrijkste maaltijd van de dag. Zegt men. Voor mij klopt dat wel. Voordat ik wat binnen heb gekregen ben ik niet de gezelligste. 
Vooral op vakantie of in het weekend is het ontbijt een maaltijd waar ik erg van kan genieten. Ik kan op elk moment van de dag alles eten. Ook ’s ochtends.

Ik herinner me een morgen uit mijn studententijd, waarin de nuldejaars (de ‘feuten’, jaja, ook ik was er ooit zo een) tijdens een ontbijt de smakelijkste delicatessen keken voorgezet. Oesters, mosselen, haring. Ontzet keken ze naar het lekkers, en niemand had honger. Behalve ik, de ouderejaars die helemaal niet hoefde, die thuis al lang ontbeten had. Met smaak at ik al het versmaadde op.

De buffetten in Aziatische hotels en resorts zijn voor mij een feest. Waar het ontbijt in Europa voor de gluten mijdende medemens een probleem kan zijn, is het in Azië puur genieten. In Azië is er niet zo veel verschil tussen lunch, ontbijt of avondeten. Bij allemaal is de basis rijst. En hartig. In Indonesië en Maleisië kan dat Nasi Lemak (gekookte kokosrijst met ei, sambal, vis en soms kip) of Nasi Goreng (gebakken rijst) zijn. Chinezen eten graag (hartige!) rijstepap of noedelgerechten als char kway teow. Voor mijn favoriete noedelsoep Mee Siam (waarvan ik een tijdje terug het recept gaf) hoef ik in foodcourts in de namiddag niet te komen: in Singapore is ook dit een ontbijtgerecht. 



Mijn nieuwste ontbijtliefde is het heel zachtgekookte ei. Dat was het al langer, maar ik heb een nieuwe variant ontdekt. Misschien hebt u, net als ik, in een Aziatisch hotel wel eens vertoornd ei achter ei teruggestuurd naar de chef omdat het, naar Europese maatstaven, amper gekookt was? Nu heb ik ontdekt dat het hier niet gaat om een slecht gekookt ei, maar simpelweg om de manier waarop men hier een zachtgekookt ei geniet: het eiwit nog snotterend rauw. De eieren worden ook wel half gekookte eieren genoemd. Eng? Vies? Glibberig? Ja, een beetje. Maar toen ik het probeerde was ik verkocht. De manier om zo’n ei te eten is het te kraken in een diep schoteltje en het te besprenkelen met zwarte peper en een scheutje donkere sojasaus. Zet de schotel aan je mond en slobber maar. Echt, het is lekker! 



Om ze half zacht te krijgen leg je de eieren een minuut of twee in kokend water. Ik kreeg wel eens simpelweg een kop heet water geserveerd, met een rauw ei, twee vingers in de lucht en een vinger naar de klok. 

Maar goed, dat is het weekend en de vakantie. Doordeweeks, wanneer er kinderen de schoolbus moeten halen, moet een ontbijt voor mij net zo makkelijk als gezond zijn. Ik heb tijd noch zin er eens goed voor te gaan zitten. Voor mij is de oplossing al jaren simpel en heerlijk: ik drink mijn ontbijt.

De smoothie, of shake kun je natuurlijk op elk moment van de dag drinken, maar mijn stevige variant geeft genoeg energie voor een goede start waarbij je meteen een groot deel van je vezels, vitaminen en mineralen binnen hebt. Een goed begin is het halve werk, en je hoeft je daar de rest van de dag tenminste niet meer druk over te maken.

Er is niet echt een eenduidig recept voor mijn ontbijtshake. Je kunt hem maken naar je eigen voorkeur, en ook met wat er voor fruit maar in het seizoen is. Voor mij is het enige vaststaande dat ik minimaal 1 banaan gebruik. De banaan geeft energie, kalium en een romige textuur aan je shake. Daarnaast voeg ik een paar handenvol ander fruit toe. Op het moment gebruik ik graag drakenfruit, papaja, mango, jackfruit of ananas. Omdat deze in Singapore makkelijk en goedkoop te krijgen zijn. In Europa ligt dat natuurlijk anders. Daar gebruikte ik graag bosbessen, aardbeien, bramen, meloen en peer. Eigenlijk kun je elk fruit gebruiken, maar het lekkerst is fruit met een sterke, volle smaak. In supermarkten kun je ook ingevroren zakken fruit kopen, die zijn vooral handig in de winter als vers fruit van ver moet komen en duur is.

Het volgende ingrediënt is je vloeistof. Dat kan melk zijn, yoghurt of een alternatief als sojamelk of amandelmelk. Water kan ook, maar dat geeft minder smaak en voedingstoffen. Als je je shake graag koud drinkt kun je er ook een handje ijsklontjes bij doen. Is hij erg dik, wat vooral zo is als je yoghurt gebruikt, dan kun je wat extra water toevoegen.

En dan als laatste voeg ik vezels toe. Niet gezegend met een soepele stofwisseling is dat voor mij essentieel. Vroeger, voordat ik wist dat ik geen gluten kon verdragen, gebruikte ik tarwezemelen en havervlokken. Nu voeg ik een flinke lepel psylium husk (vlozaad) en een flinke lepel lijnzaad toe. Deze zaden bevatten niet alleen veel vezels maar ook allerlei andere voedingstoffen. Als laatste voeg ik een paar centimeter verse gember toe, omdat dat goed is voor maag en darmen en een heerlijk pittige smaak heeft. 



In deze heel speciale shake, die we overigens ’s middags dronken, gebruikte ik de stronk aloë vera die mijn moeder kocht op de markt. Aloë vera zou goed zijn voor de spijsvertering en extra energie geven en verkoeling brengen. Aloë vera is een vetplant, oftewel cactus achtige. De smaak is niet sterk, licht bitter en koel.

Daarnaast gebruikte ik drakenfruit, wat de vrucht is van een andere cactus. De vruchten zien er spectaculair uit met hun paarsroze schil en slappe stekels. Het vruchtvlees is of wit of knalroze, beiden met veel kleine zwarte pitjes. De roze variant zal alles wat je ermee maakt een knalroze kleur geven. Maar in deze shake gebruikte ik de witte drakenfruit, die alleen aan de buitenkant roze is. 

Cactus-shake
een halve stronk aloë vera
1 grote (of 2 kleinere) drakenfruit
1 banaan
ongeveer 500 ml amandelmelk
handvol ijsklontjes 


Pel de dikke groene schil van de aloë vera af en snijd de doorzichtige gel die erin zit in grove stukken. 


Schil en snijd ook de drakenfruit en de banaan. Doe alles samen met de amandelmelk en de ijsklontjes in een blender en pureer tot een gladde, koude drank.